099. Bijbelstudie over de
REINIGINGSWETTEN - T’HAROT
tvrhu
Leviticus 12 en 15
Deze Bijbelstudie is gebaseerd op de sid’rot iyrzt Taz’ria en irvjm M’tzora. Ik denk dat het lezen daarvan talrijke vragen bij u heeft opgeroepen en zelfs voor rabbijnen en Bar- of Bat Mitz’va studenten zijn deze beide parashiot waarschijnlijk de minst geliefde en meest moeilijke afdelingen uit de Tora vanwege de thema's die daarbij aan bod komen: enge huidziekten en wat het lichaam allemaal uitscheidt bij bevallingen, allerlei geslachtsziekten, menstruatie en nachtelijke zaadlozingen. Deze delicate onderwerpen zijn niet voor de weekhartige weggelegd. Wij lezen daarvoor arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 12:1-8 en 15:1-33. De hoofdstukken 13 en 14 over de huidziekte tirj Tzara’at, die doorgaans met ‘melaatsheid’ of ‘huidvraat’ vertaald wordt, slaan wij in deze studie over omdat ik daarover t.z.t. nog een aparte studie zal schrijven. In deze studie zullen we het hebben over onreine vloeiingen. Het eerste gedeelte van de parasha iyrzt Taz’ria gaat over vloeiingen bij een bevalling en het tweede gedeelte van de parasha irvjm M’tzora gaat over onreine vloeiingen bij mannen en vrouwen. De onderdelen van deze beide sid’rot, namelijk geboorte, ziekte en seksualiteit, slaan een brug tussen het lichamelijke en het spirituele vanuit het gezichtspunt van kwesties over reinheid en onreinheid. De Talmud besteedt een hele afdeling aan de reinigingswetten, namelijk de hrhu rdc Seder Tahara, bestaande uit de traktaten: ,ylk Kelim [Voorwerpen - over onreine dingen], tvlhva Ohalot [Tenten - over de onreinheid door een dode], ,yign N’ga’im [Plagen - over de melaatsheid], hrp Para [Koe - over de as van de rode koe], tvrhu T’harot [Reinheden - over de twijfelgevallen], tvavqm Miq’vaot [Rituele baden - over de onderdompeling], hdyn Nida [Onreinheid van vrouwen - over de menstruatie], ]yry>km Mach’shirin [Wat onrein maakt - over de vloeistoffen), ,ybz Zavim [Vloeienden - mannen en vrouwen], ,vy lvbu T’vul Yom [Onderdompeling overdag - gedeeltelijk onrein], ,yydy Yadayim [Handen - over onreine handen] en ]yjqvi Uq’tzin [Stelen - over stelen, schillen en pitten]. Op Wikipedia kwam ik onlangs het volgende tegen over dit onderwerp: “De reinigingswetten uit het Bijbelboek Leviticus zijn een belangrijke voorloper van onze huidige hygiëneregels. Zo is de beruchte Zwarte Dood-epidemie in Europa tot staan gebracht dankzij toepassing van de reinigingswetten uit dit Bijbelboek door de Joodse arts Balavignus. De Zwarte Dood is de naam voor een epidemische ziekte die tussen 1346 en 1351 in Europa woedde en vele slachtoffers maakte, soms tientallen procenten van de bevolking. De epidemie kostte wereldwijd tussen de 75 en 100 miljoen mensen het leven. Van alle mensen werden Joden het minst ziek, achteraf bleek dat dit met de Joodse reinigingswetten te maken had. Door deze reinigingswetten uit het Oude Testament leefden de Joden hygiënischer dan de andere mensen, waardoor ze minder snel besmet werden. Dat dit te maken had met hygiëne was niet bekend, dus werden de Joden verdacht: zij zouden waterputten en waterbronnen vergiftigen om zo christenen om het leven te brengen. Het verhaal verspreidde zich snel van Zwitserland naar Duitsland en had catastrofale gevolgen voor de Joden in Europa. Naar aanleiding van het verhaal van de vergiftigde bronnen werden talloze pogroms uitgevoerd in heel Europa.” Tot zover Wikipedia. Dat de reinigingswetten uit de Tora daadwerkelijk hun doel vervulden blijkt uit het feit dat zij de Pest tot stilstand brachten, maar daarom is het des te schrijnender dat juist degenen die deze wetten van begin af aan naleefden, bestempeld werden tot de veroorzakers van de epidemie met alle gevolgen van dien. Maar ja, ook daarover zal de Eeuwige het laatste woord hebben. Dat de Eeuwige ons de reinigingswetten evenals alle andere Mitz’vot gegeven heeft voor ons eigen bestwil is duidelijk. G’d verlangt van Zijn volk, dat het rein en heilig zal zijn en daarom gaf Hij in arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 10:10-11 aan de priesters de taak om daarover te waken en de kinderen van Israël daarin te onderwijzen: “Jullie moeten onderscheid kunnen maken tussen wat heilig is en wat niet, tussen wat rein is en wat onrein, en de Israëlieten uitleg geven over alle bepalingen die de Eeuwige bij monde van Moshe [Mozes] aan hen bekendgemaakt heeft!” en ook in laqzxy Yechez’q’el [Ezechiël] 44:23 zei Hij nadrukkelijk: “Ze moeten Mijn volk leren wat heilig is en wat niet, en hun het onderscheid leren tussen rein en onrein!” Vier hele hoofdstukken werden door Moshe aan de reinheidswetten besteed en het is echt niet zo, dat wij door het offer van Yeshua al deze wetten nu maar buiten beschouwing hoeven te laten. Integendeel! Het is zeer de moeite waard om ze nauwkeurig te bestuderen en voor zover dat na de verwoesting van de Tempel nog mogelijk is, ook proberen toe te passen. Daarom schreef Keifa [Petrus] in zijn eerste brief: “Wees als gehoorzame kinderen en geef niet opnieuw toe aan de begeerten waardoor u vroeger, toen u nog onwetend was, werd beheerst, maar leid een leven dat in alle opzichten heilig is, zoals Hij die u geroepen heeft heilig is. Er staat immers geschreven: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig!” (1 Petrus 1:14-16). Hij citeerde arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 11:44, 19:2 en 20:7. Wij zullen de diverse reinigingsvoorschriften omtrent de onreine vloeiingen in de hoofdstukken 12 en 15 aandachtig één voor één doornemen en bespreken.
Voorschriften
omtrent de reiniging na de geboorte
“De
Eeuwige zei tegen Moshe [Mozes]: Zeg tegen de Israëlieten: Wanneer een vrouw een
kind baart en het is een jongen, blijft ze zeven dagen onrein; ze is dan op
dezelfde manier onrein als tijdens haar menstruatie. Op de achtste dag moet het
kind besneden worden. Daarna duurt het nog drieëndertig dagen voor ze rein is
na haar bloeding bij de bevalling; tijdens deze periode mag ze niets aanraken
dat heilig is en de Eeuwige toebehoort, en mag ze het heiligdom niet
binnengaan. Wanneer ze een dochter baart, blijft ze veertien dagen onrein; ze
is dan op dezelfde manier onrein als tijdens haar menstruatie. Daarna duurt het
nog zesenzestig dagen voor ze rein is na haar bloeding bij de bevalling.
Wanneer de periode van haar reiniging is verstreken, moet ze - of ze nu van een
zoon of van een dochter bevallen is - een eenjarige ram als brandoffer
aanbieden en een jonge gewone duif of een tortelduif als reinigingsoffer. Ze
moet de offerdieren naar de priester brengen, bij de ingang van de
ontmoetingstent. Hij biedt de offers aan de Eeuwige aan en voltrekt voor haar
de verzoeningsrite. Dan is ze, na haar bloedverlies, weer rein. Dit zijn de voorschriften
omtrent de kraamvrouw, hetzij na de geboorte van een zoon, hetzij na de
geboorte van een dochter. Als ze zich geen ram kan veroorloven, moet ze twee
tortelduiven meebrengen of twee jonge gewone duiven, één als brandoffer en één
als reinigingsoffer. De priester voltrekt voor haar de verzoeningsrite en zij
is weer rein.” (arqyv Vayiq’ra [Leviticus]
12:1-8).
De parasha iyrzt Taz’ria begint met de staat van onreinheid, die een vrouw heeft na een
bevalling. Dat een vrouw een kindje ter wereld brengt is het mooiste wat haar
kan overkomen en het blijft elke keer weer een overduidelijk bewijs voor G’ds
bestaan, want niets ontstaat uit niets. Er is een hogere macht die nieuw leven
mogelijk maakt; wij als mensen kunnen dat niet zelf bewerkstelligen. Dus wat
dat betreft is het zeer zeker geen overtreding van de Tora om een kind te baren,
integendeel, en derhalve heeft de onreine status van de kraamvrouw dus ook
niets maar dan ook niets te maken met zonde! Laten we daarover heel duidelijk
zijn! Dat zij na de bevalling zeven dagen onrein is en daarna na de geboorte
van een jongetje nog eens 33 dagen en na de geboorte van een meisje zelfs het
dubbele aantal dagen onrein is, mag zij dus niet zien als een straf, maar dat
heeft andere redenen, want nergens in de hele Bijbel wordt de geboorte van een
baby binnen een huwelijk als iets zondigs gezien. Maar in hoeverre is er dan
sprake van onreinheid? Wat wordt daarmee bedoeld? Wel, als een jongetje geboren
wordt, dan belandt zijn moeder in een soortgelijke staat van onreinheid als bij
de hdyn nida, haar maandelijkse
ongesteldheid, waar ik straks nog uitgebreid op in zal gaan, omdat ook hierbij
bloedverlies optreedt. Ook na de bevalling maakt zij een periode van hamvu tuma [rituele onreinheid] en
hrhu tahara [reiniging] door. Vanaf de dag van zijn geboorte is zijn moeder
zeven dagen amu tame [onrein] en pas op de
achtste dag wordt het jongetje besneden. De reden hiervoor is volgens de
bekende Italiaanse rabbijn, Torageleerde, filosoof, arts, taal- en wiskundige Ovadya ben Ya'aqov Sforno, dat het ongeboren kind in de baarmoeder menstrueel bloed
binnen krijgt en dat daardoor de pasgeborene ritueel onrein ter wereld komt.
Daarom wacht men zeven dagen totdat het onreine bloed uit zijn systeem is
verdwenen en hij weer rein is om de hlym9tyrb Brit Mila te ondergaan. Dit
uitstel heeft dus alles te maken met het herstel van rituele reinheid. Na de
besnijdenis van het jongetje duurt het nog drieëndertig dagen totdat de moeder weer
rvhu tahor [rein] is, als haar
bloedverlies is opgehouden, want gedurende die periode kan namelijk nog steeds
bloedverlies optreden. In totaal dus 40 dagen. Al die tijd mag zij niets
heiligs aanraken, en het heiligdom is voor haar verboden terrein. Na de
geboorte van een meisje duurt de hele periode zelfs twee keer zo lang, d.w.z.
14 dagen vanaf de bevalling en daarna nog eens 66 dagen. Waarom dat zo is weten
we niet precies, maar zo staat het wel in de Tora. Volgens sommige rabbijnen heeft het er misschien mee te
maken dat een meisje op latere leeftijd zelf ook door haar menstruatie onrein
zal zijn, maar dat durf ik niet zomaar te beamen, hoewel de rabbijnen daarmee
best wel op het goede spoor kunnen zitten. Hoe dan ook, als de Tora daar zoveel nadruk op
legt kunnen we ons blijven afvragen of de onreinheid misschien toch wel op de
een of andere manier met zonde te maken heeft. Indirect natuurlijk wel, want
rituele onreinheid komt altijd voort uit aanraking met iets dat dood is. In
o.a. ty>arb B’reshit [Genesis] 9:4 lezen
wij, dat in het bloed het leven zit. Het hiervoor gebruikte Hebreeuwse woord >pn Nefesh wordt in de
NBG-vertaling weliswaar met 'ziel' vertaald, maar het betekent ook 'leven'.
Bloed is namelijk onmisbaar voor het leven. In de nieuwe liberale Tanach staat daarom ook
correct: “Maar vlees waarin nog leven is,
waar nog bloed in zit, mag je niet eten.” Het woord >pn Nefesh heeft dus meerdere
betekenissen: ziel, leven, schepsel, persoon en wezen. Als er in sommige
vertalingen gezegd wordt, dat de ziel in het bloed is, dan moeten we het bloed
op de eerste plaats als de drager van het leven zien, want bloed wordt in
Israel al sinds lang vervlogen tijden als drager van de levenskracht gezien en
dat komt bijzonder duidelijk naar voren in de Groot Nieuws Bijbel: “Alleen mag je geen vlees eten waar nog bloed
in zit, want het bloed bevat de levenskracht.” Met elke druppel bloed die het lichaam verlaat, verdwijnt ook een
stukje levenskracht. Elke bloeding, hoe gering ook, is in principe dus een
soort sterfproces, en daarmee wordt een direct verband gelegd tussen
de onreinheid door een bloeding en de dood. De dood is volgens ty>arb B’reshit [Genesis] 2:17
het gevolg van de zonde en daarom heeft de rituele onreinheid indirect
inderdaad te maken met zonde, maar onreinheid op zich is geen zonde. Laat er
daarover geen misverstand bestaan. O ja, nog iets! Na een bevalling vindt
volgens de rabbijnse voorschriften aan het einde van deze periode een hlybu T’vila [onderdompeling]
plaats waarbij de vrouw, die hdyn nida is, eerst in het hvvqm Miq’va [rituele bad] moet voordat zij weer als rvhu tahor [rein] beschouwd
wordt. Dit is echter een rabbijnse inzetting die wij in de Tora niet terug kunnen
vinden. Natuurlijk lijkt het mij niet meer dan logisch, dat men in bad gaat of
onder de douche als men zich vies voelt, maar dat is niet hetzelfde als het
rituele bad. Maar daar kom ik straks nog op terug. We slaan nu, zoals ik reeds
in de inleiding heb aangegeven, twee hoofdstukken over en gaan naar hoofdstuk
15.
Voorschriften
omtrent onreine vloeiingen bij een man
“De Eeuwige
zei tegen Moshe
[Mozes] en Aharon [Aäron]: Zeg tegen de Israëlieten: Wanneer bij een man onrein vocht uit
zijn lid vloeit, is hij onrein. Of er nu afscheiding uit zijn lid druipt of
zijn lid door afscheiding verstopt raakt, hij is in beide gevallen onrein.
Alles waar hij op ligt of zit, wordt onrein. Wie het bed van zo’n man aanraakt,
moet zijn kleren en zichzelf met water wassen en blijft tot de avond onrein.
Wie gaat zitten op iets waarop zo’n man gezeten heeft, moet zijn kleren en
zichzelf met water wassen en blijft tot de avond onrein. Wie het lichaam van
zo’n man aanraakt, moet zijn kleren en zichzelf met water wassen en blijft tot
de avond onrein. Als zo’n man iemand die rein is bespuwt, moet deze zijn kleren
en zichzelf met water wassen en blijft hij tot de avond onrein. Elk zadel
waarop zo’n man rijdt, wordt onrein. Wie iets aanraakt waarop hij gezeten
heeft, is tot de avond onrein; wie een dergelijk voorwerp optilt, moet zijn
kleren en zichzelf met water wassen en blijft tot de avond onrein. Ieder die
door zo’n man wordt aangeraakt zonder dat deze zijn handen met water heeft
afgespoeld, moet zijn kleren en zichzelf wassen en blijft tot de avond onrein.
Raakt zo’n man een voorwerp van aardewerk aan, dan moet het worden
stukgeslagen; raakt hij een houten voorwerp aan, dan moet het met water worden
schoongespoeld. Wanneer de man van zijn kwaal genezen is, moet hij zeven dagen
wachten voor hij gereinigd kan worden. Dan moet hij zijn kleren en zijn lichaam
met bronwater wassen en is hij weer rein. Op de achtste dag moet hij met twee
tortelduiven of twee jonge gewone duiven naar de ingang van de ontmoetingstent
gaan; daar, ten overstaan van de Eeuwige, moet hij zijn offergaven aan de
priester geven. De priester draagt de ene duif op als reinigingsoffer en de andere
als brandoffer. Zo voltrekt hij voor de man in kwestie na zijn vloeiing de
verzoeningsrite ten overstaan van de Eeuwige.” (arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 15:1-15).
In dit
tekstgedeelte hebben ze het over onrein vocht bij een man. In de
Statenvertaling en in de NBG-vertaling is er sprake van een onreine vloed of
vloeiing. Wat bedoelen ze hier precies mee? Gaat het hier over sperma of over
iets anders? Hier kan o.a. inderdaad een zaadlozing mee bedoeld zijn, maar dan
niet op een normale manier, want die komt pas in vers 16 ter sprake. Nee, hier
zou het eventueel kunnen gaan over een aangeboren of door ziekte opgelopen
afwijking aan het mannelijk lichaam waardoor de zaadlozing, die
normaalgesproken een kortstondig moment
is, anders verloopt. Door deze afwijking zou de zaadlozing zich ook over een
langere termijn verspreiden waardoor deze afscheiding dus onrein is. Toch denk
ik niet dat het in deze tekst over sperma gaat. In vers 3 staat namelijk: “Of
er nu afscheiding uit zijn lid druipt of zijn lid door afscheiding
verstopt raakt, hij is in beide gevallen onrein.” Hier is dus duidelijk
sprake van andere afscheiding, maar welke? De Groot Nieuws Bijbel gaat daar wat
gedetailleerder op in: “Wanneer een man een ontsteking heeft aan zijn penis
en er komt een slijmachtige afscheiding vrij, dan is hij hierdoor onrein. Of de
afscheiding nu dun is en er gemakkelijk uitloopt, of dat hij dik is en er
moeilijk uitkomt, het maakt de man onrein.” Hier is er dus sprake van een
slijmachtige afscheiding door een ontsteking, die volgens de
Willibrord-vertaling veroorzaakt is door een geslachtsziekte, want daar lezen
wij: “Wanneer een man aan een druiper lijdt, is hij door die druiper onrein.
Deze onreinheid treedt op als zijn druiper vloeit en als deze onderbroken
wordt.” Daar zit wel wat in en ik denk dat dit het meest voor de hand
liggend is vanwege de daarop volgende drastische maatregelen die getroffen
moesten worden in verband met het besmettingsgevaar. En toch is ook dit slechts
een gissing, want zo duidelijk staat het in de grondtekst niet omschreven. Hoe
dan ook, in deze verzen is er sprake van een onreine
afscheiding die uit het mannelijk geslachtsdeel of uit een ander deel van zijn
lichaam voortkomt, al dan niet door een geslachtsziekte. Het kan daarbij om een
afscheiding gaan die veroorzaakt wordt door een ontsteking of andere
aandoening, maar ook om een onnatuurlijke bloedvloeiing, die via de penis het
lichaam verlaat zoals bijvoorbeeld met nierstenen het geval is. Kortom, deze lichamelijke
afscheiding maakt de man onrein voor G’d en zijn medemensen.
Voorschriften
omtrent de reiniging na een zaadlozing
“Wanneer
een man een zaadlozing heeft gehad, moet hij zijn kleren en zijn hele lichaam
met water wassen en blijft hij tot de avond onrein. Alles van stof of leer
waarop het zaad is terechtgekomen, moet met water worden gewassen en blijft tot
de avond onrein. Wanneer een man en een vrouw gemeenschap hebben gehad en er
bij de man een zaadlozing heeft plaatsgevonden, moeten beiden zich met water
wassen en blijven ze tot de avond onrein.”
(arqyv Vayiq’ra [Leviticus]
15:16-18).
De Tora besteedt veel aandacht
aan rituele reinheid en gaat daarbij zelfs in gevoelige details waar men
normaalgesproken in een gemeentesamenkomst niet graag over praat. Op het eerste
gezicht kunnen deze regels ons derhalve vreemd lijken, maar als we ze nader
bekijken zien we daarin toch een bepaalde logica. De zojuist gelezen tekst
vertelt ons dat een man die een zaadlozing heeft gehad, niet gewoon onrein is
totdat hij zich gewassen heeft, maar dat hij onrein is tot de avond, nadat hij zich
al gewassen heeft. Ziet u het verschil? Datzelfde geldt uiteraard ook voor de
vrouw bij wie het sperma terecht is gekomen. Het wassen met water moet sowieso
omdat dit een kwestie is van hygiëne, en dus is het nogal logisch dat een man en
een vrouw door een zaadlozing onrein zijn totdat ze in bad geweest zijn. Maar
waarom zouden zij daarna nog steeds onrein zijn tot aan de avond, nadat zij al
in bad geweest zijn? Waarom zouden zij niet rein zijn op het moment dat zij schoon
en afgedroogd uit de badkamer komen? De Tora geeft op deze vraag weliswaar geen antwoord, maar er zijn uiteraard
twee mogelijke redenen te bedenken. De eerste mogelijkheid is dat bij elke afscheiding
uit onze geslachtsorganen van welke aard ook, sperma of bloed, het lichaam in
contact is geweest met iets dat ofwel dood is, of zich nog in het proces van
sterven bevindt. Bijvoorbeeld, zaad in het lichaam van een man is springlevend,
maar wanneer het sperma de man verlaat, sterft het direct, waardoor het reeds
de geur van de dood in zich draagt. Zelfs indien één van de vele zaadcellen een
eicel zal bevruchten en daardoor blijft leven, zal de rest van de zaadcellen toch
sterven. Dit contact met iets dat dood of stervende is, maakt ons dus ritueel
onrein voor de Eeuwige. De tweede mogelijkheid is dat een zaadstorting meestal
een verlies van focus op onze Schepper tot gevolg geeft. Het is natuurlijk wel
waar dat men met een zaadstorting juist gehoor geeft aan de opdracht om zich
voort te planten volgens ty>arb B’reshit
[Genesis] 1:28, dat klopt wel, maar dat is natuurlijk
niet altijd het geval. Op de eerste plaats doen wij het tot ons eigen plezier,
laten we eerlijk zijn! Op het moment dat wij gemeenschap hebben doen wij het
doorgaans niet om de Eeuwige daarmee te behagen, maar omdat wij het zelf lekker
vinden. Laten we ons alsjeblieft niet zelf voor de gek houden met allerlei
uitvluchten. Maar zelfs als de zaadstorting van een gelovige man een direct
gevolg is van het verlangen om de Eeuwige te dienen door een gezin te stichten,
dan nog kan hij op dat moment echt niet op Hem gefocust zijn. Met andere
woorden: de Eeuwige is op dat moment niet het subject waarop zijn denken en
zijn aandacht is gericht. Het maakt helemaal niets uit hoe kort of hoe lang
zich deze spirituele scheiding tussen mens en G’d voordoet, en of het nou voor,
tijdens of na de zaaduitstorting is; zodra er sprake is van gemeenschap tussen
man en vrouw, dan worden zij in de ogen van Adonai ritueel onrein. Dat heeft niets te maken met zonde, want
de Eeuwige heeft het geslachtsverkeer van man en vrouw binnen het huwelijk volgens
ty>arb B’reshit [Genesis] 2:24 en
Efeziërs 5:31 als iets goeds aan ons gegeven, maar men is tijdens en na de daad
gewoon niet geschikt om in de nabijheid van de Eeuwige te verkeren. Heel
simpel. De Eeuwige maakte dit zeer duidelijk door te zeggen dat de Israëlieten
ritueel rein moesten zijn om voor Zijn aangezicht te kunnen verschijnen. Bij
het naderen van de Sinaï moest het hele volk zich onthouden van seksuele
gemeenschap, want er staat geschreven: “Weer ging Moshe [Mozes] naar beneden,
naar het volk. Hij droeg hun op zich te heiligen en hun kleren te wassen. Zorg
ervoor dat u overmorgen gereed bent, zei Hij, en dat u in de tussentijd geen
gemeenschap hebt met een vrouw!” (tvm> Sh'mot
[Exodus] 19:14-15, nieuwe vertaling). In de Groot
Nieuws Bijbel: “Moshe [Mozes] ging de berg af en gaf het volk opdracht zich voor
te bereiden op de ontmoeting met de Eeuwige en hun kleren te wassen. Hij zei:
Over drie dagen moeten jullie klaarstaan. Je mag voor die tijd geen gemeenschap
hebben met een vrouw!” Het is duidelijk
dat zij zich niet met deze seksuele dingen mochten bezighouden als zij zich op
een ontmoeting met haShem moesten voorbereiden. Dat betekent echter niet dat de
Eeuwige hier een verkrampte houding ten opzichte van de seksualiteit zou
vertonen. Integendeel! in tlhq Qohelet [Prediker] 9:9 lezen
wij juist: “Geniet van het leven met de vrouw die je bemint. Geniet op alle
dagen van je leven, die G’d je heeft gegeven. Het bestaan is leeg en vluchtig
en je zwoegt en zwoegt onder de zon, dus geniet op elke dag. Het is het loon
dat G’d je heeft gegeven.” Mannen mogen best van hun vrouw genieten en
andersom, maar alles op zijn tijd! En niet vergeten om daarna in bad te gaan,
want de Tora
zegt dat echtparen zich met water moeten wassen na de gemeenschap, maar ook
daar wordt geen Mikwe mee bedoeld, maar gewoon de badkamer. We gaan door naar
het laatste onderdeel van de reinigingswetten.
Voorschriften
omtrent de maandelijkse onreinheid bij vrouwen
“Wanneer
bij een vrouw bloed uit haar schede vloeit, duurt de periode van haar
onreinheid zeven dagen. Ieder die haar gedurende die periode aanraakt is tot de
avond onrein. Alles waarop ze tijdens haar menstruatie ligt of zit, wordt
onrein. Ieder die haar bed aanraakt, of iets waarop ze gezeten heeft, moet zijn
kleren en zichzelf met water wassen en blijft tot de avond onrein. Wie iets
aanraakt dat op haar bed ligt of op een voorwerp waarop ze heeft gezeten, is
tot de avond onrein. Wanneer een man gemeenschap met haar heeft, zodat hij met
haar bloed in aanraking komt, blijft hij zeven dagen onrein. Alles waarop hij
ligt, wordt ook onrein. Wanneer een vrouw langer ongesteld is dan normaal, of
bloed verliest terwijl ze niet ongesteld is, is ze onrein zolang ze bloed
verliest, net zoals ze onrein is tijdens haar menstruatie. Alles waar ze
tijdens haar bloedverlies op ligt of zit, wordt onrein, net als tijdens haar
menstruatie. Wie zo’n voorwerp aanraakt, wordt onrein en moet zijn kleren en
zichzelf met water wassen en blijft tot de avond onrein. Wanneer de vrouw van
haar kwaal genezen is, moet ze zeven dagen wachten tot ze weer rein is. Op de
achtste dag moet ze twee tortelduiven of twee jonge gewone duiven naar de
priester brengen, bij de ingang van de ontmoetingstent. De priester draagt de
ene duif op als reinigingsoffer en de andere als brandoffer. Zo voltrekt hij
voor de vrouw in kwestie na haar onreine vloeiing de verzoeningsrite ten
overstaan van de Eeuwige.” (arqyv Vayiq’ra [Leviticus]
15:19-30).
Ik denk,
dat dit tekstgedeelte met name bij onze zusters die niet Joods zijn opgevoed, een
aantal vragen zal oproepen betreffende de hdyn Nida. Waar moet men bijvoorbeeld op de achtste dag de offerdieren
naartoe brengen als er geen tempel meer is? En wie gaat ze dan vervolgens slachten
en aan de Eeuwige opdragen als er geen priesters meer zijn die de tempeldienst verrichten?
De rabbijn of een andere broeder met een bediening? Wel, ten eerste moeten we
constateren dat een aantal voorschriften tegenwoordig niet meer uitgevoerd
kunnen worden zolang er geen nieuwe tempel is. Heel simpel! Die voorschriften
zullen t.z.t. weer worden opgepakt. De eerste vragen zijn dus bij deze al beantwoord.
Maar er blijven nog genoeg andere vragen over waar sommige dames geen raad mee
weten zoals de vraag of heden ten dage nog steeds alles tot de avond onrein is
wat de vrouw aanraakt of waar ze op zit of ligt. Vooral over de vraag hoe men
tegenwoordig met de maandelijkse afzondering moet omgaan heerst er nogal wat
verwarring. Tot hoever strekt die afzondering? Dat men zich gedurende die
periode moet onthouden van seksuele omgang, dat is wel duidelijk. Maar wat nog
meer? Alle vormen van lichamelijk contact? Zoals handen schudden? Mag men wel
reizen met het openbaar vervoer? Mag men wel een shabatviering of een Beit Midrash bijwonen
gedurende die tijd? Zo ja, moet men dan apart zitten om geen fysiek contact met
de overige bezoekers te hebben? U ziet het, vragen en nog eens vragen. Om te
beginnen zijn moderne vrouwen in westerse landen dankzij allerlei
hulpmiddelen zoals maandverband en sanitaire voorzieningen
in principe niet vies tijdens hun periode van afzondering, in tegenstelling tot
de vrouwen waar de Tora het over heeft. Even onder de douche en men is weer lekker
schoon. En toch kan niemand voorkomen om zelfs hier in Nederland ooit buiten
eigen schuld in een toestand van rituele onreinheid te verkeren, want elke keer
als je met het openbaar vervoer reist, weet je niet of er op de bank waarop je
in de bus, tram, trein of metro zit, eerst iemand gezeten heeft die ongesteld
was of op een andere manier onrein was, vooral als je bedenkt, dat meer dan 50%
van de reizigers vrouw is! G’d heeft de ongestelde vrouwen nooit bevolen om "Onrein!
Onrein!" te roepen wanneer men in hun buurt komt, wat met de melaatsen
wel het geval was. Deze maandelijkse onreinheid is geen besmettelijke ziekte! Het
is ook geen zonde om een maandelijkse menstruatiecyclus te hebben,
net zomin als de bevalling van een baby een zonde is, maar desalniettemin maakt
het iemand wel ritueel onrein. Toch is hdyn Nida op de eerste plaats een privéaangelegenheid tussen een
vrouw, haar man (als ze er een heeft) en G’d. Ik denk, dat iedere vrouw zelf
met de Eeuwige moet overleggen tot hoe ver zij moet of kan gaan met de mate van
afzondering, afhankelijk van haar eigen hygiëne. U hoeft zich dus geen zorgen
over te maken of ongestelde vrouwen misschien uw sjoel zouden bezoedelen
door het bijwonen van diensten of mannen bezoedelen door
hun handen te schudden. Het is niet iets om over in sjoel of op een Beit Midrash te speculeren,
want behalve aan de Eeuwige hoeft zij zichzelf tegenover anderen niet te
rechtvaardigen door haar toestand te verkondigen met woorden of door haar
afwezigheid. Wij hoeven daar niet te krampachtig mee om te gaan. En opnieuw
breng ik het Mikwe onder uw aandacht. Bij mijn uitleg over de reiniging na de
geboorte had ik al gezegd dat ik daar nog op terug zal komen. Zodra een gehuwde
vrouw haar periodieke verschijnselen in verband met de menstruatie waarneemt,
wordt zij hdyn nida.
Evenals na een bevalling moet zij volgens de rabbijnse voorschriften ook na
deze periode eerst in het hvvqm Miq’va voordat zij weer rvhu tahor [rein] is. Maar nogmaals: dit is slechts een rabbijnse
inzetting, maar geen gebod uit de Tora, want nergens is er in de Tora een onderdompeling in het Mikwe bevolen voor vrouwen na hun maandelijkse afzondering. Er
staat alleen geschreven dat zij na hun menstruatie zeven dagen moeten wachten
totdat zij weer ritueel rein zijn en dan op de achtste dag twee tortelduiven
naar de priester moeten brengen, hetgeen tegenwoordig niet meer mogelijk is, maar
van een Mikwe
is er geen sprake. Tenslotte nog iets: Er staat in de meeste Nederlandse
vertalingen van vers 24, dat een ongestelde vrouw haar onreinheid op haar man
overbrengt, als hij tijdens de menstruatie gemeenschap met haar heeft, en dat
hij dan ook zeven dagen onrein blijft. Dat kan helemaal niet kloppen, want in
de grondtekst staat er niets over ‘gemeenschap met haar hebben’, maar daar
staat gewoon ‘bij haar liggen’. De juiste vertaling
zou derhalve zijn, dat een man niet in hetzelfde bed mag slapen met een ongestelde
vrouw, want als haar bloed per ongeluk op hem komt, dan is hij onrein voor
zeven dagen. De term "bij haar liggen" verwijst gewoonlijk naar
geslachtsgemeenschap, maar we weten dat dit hier beslist niet mee bedoeld kan
zijn, want vijf hoofdstukken verderop lezen wij namelijk: “Wanneer iemand
het bed deelt met een vrouw die ongesteld is en gemeenschap met haar heeft -
wanneer hij dus de bron van haar bloeding ontbloot of zij voor hem de bron van
haar bloeding ontbloot - zullen beiden uitgestoten worden!” (arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 20:18,
NBV). “Als
een man gemeenschap heeft met een vrouw tijdens de menstruatie en haar
schaamte, de bron van haar bloeding, ontbloot, en zij stemt daarmee in, dan
moeten beiden uit hun volk worden verwijderd!” (Willibrord-vertaling). De NBG-vertaling zegt zelfs, dat “zij
beiden zullen worden uitgeroeid uit het midden van hun volk!” Dat is heel
iets anders dan slechts zeven dagen onrein zijn. Aangezien de Eeuwige Zichzelf
niet tegenspreekt, weten we dat hoofdstuk 15:24 eenvoudigweg verwijst naar het bed
delen met een ongestelde vrouw zonder verder iets met haar te doen, terwijl er
in hoofdstuk 20:18 met de toevoeging “...de bron van haar bloeding ontbloot”
de geslachtsgemeenschap bedoeld is. In elk geval is dit de reden waarom orthodoxe
echtparen altijd in twee bedden slapen. Of ze hebben normaalgesproken twee
eenpersoonsbedden tegen elkaar aan staan, die in tijden van nida worden los getrokken. Anderen
hebben een normaal tweepersoonsbed en een kleiner bed, waarop de man gaat als
zijn vrouw nida
is. Adonai
neemt de zaken rondom rituele onreinheid zeer serieus, maar toch blijf ik benadrukken
dat rituele onreinheid geen zonde is!
Yeshua
en de bloedvloeiende vrouw
“En zie, een vrouw, die reeds
twaalf jaren aan bloedvloeiingen leed, kwam van achteren tot Hem en raakte de
kwast van Zijn kleed aan. Want, zeide zij bij zichzelf, indien ik slechts Zijn
kleed aanraak, zal ik behouden zijn. Maar Yeshua
keerde Zich om, zag haar en zeide: Houd moed, dochter, uw geloof heeft u
behouden. En de vrouw was behouden van dat ogenblik af.” (vhyttm Matityahu [Mattheüs] 9:20-22). “En een vrouw, die
twaalf jaar aan bloedvloeiingen geleden had, en veel doorstaan had van vele
dokters en al het hare daaraan ten koste had gelegd en geen baat had gevonden,
maar veeleer achteruit was gegaan, had gehoord, wat er van Yeshua verteld werd, en zij kwam tussen de schare en
raakte van achter Zijn kleed aan. Want zij zeide: Indien ik slechts Zijn
klederen kan aanraken, zal ik behouden zijn. En terstond droogde de bron van
haar bloed op en zij bemerkte aan haar lichaam, dat zij van haar kwaal genezen
was. En Yeshua bemerkte terstond bij Zichzelf
de kracht, die van Hem uitgegaan was, en Hij keerde Zich om in de schare, en
zeide: Wie heeft Mijn klederen aangeraakt? En Zijn discipelen zeiden tot Hem:
Gij ziet, dat de schare tegen U opdringt en Gij zegt: Wie heeft Mij aangeraakt?
En Hij keek rond om te zien, wie dat gedaan had. De vrouw nu, bevreesd en
bevende, wetende wat met haar geschied was, kwam en wierp zich voor Hem neder
en zeide Hem de volle waarheid. En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft
u behouden; ga heen in vrede en wees genezen van uw kwaal.” (Marcus
5:25-34). “En een vrouw, die sinds twaalf jaren aan bloedvloeiing leed en
door niemand kon genezen worden, kwam van achteren tot Hem en raakte de kwast
van Zijn kleed aan, en terstond hield haar vloeiing op. En Yeshua zeide: Wie is het, die Mij heeft aangeraakt?
En terwijl allen het ontkenden, zeide Keifa [Petrus]:
Rabbi, de scharen drukken en verdringen U. Maar
Yeshua zeide: Iemand heeft Mij aangeraakt, want
Ik heb kracht van Mij voelen uitgaan. Toen de vrouw zag, dat zij niet
onopgemerkt bleef, kwam zij bevende nader, viel voor Hem neer en verhaalde Hem,
voor al het volk, om welke reden zij Hem aangeraakt had en dat zij terstond
beter was geworden. En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden,
ga heen in vrede.” (Lucas 8:43-48). - Laten we
even proberen ons te realiseren wat hier precies aan de hand was. In de context
worden namelijk twee mensen genoemd die allebei tegelijkertijd de hulp van Yeshua nodig hadden: een
ontdane vader wiens enige dochtertje op sterven lag waarbij elke minuut telde, en
een vrouw die door haar onreinheid bij haar leven al dood was. Je zou dus
denken dat Yeshua met de grootste spoed naar het meisje had moeten hollen om te voorkomen
dat zij stierf, maar blijkbaar was Hij toch van mening dat deze vrouw, die evenveel
jaren onder de last van haar kwaal leed als de dochter van Ya’ir [Jaïrus] oud was,
recht op voorrang had, want Hij nam alle tijd voor haar. Weet u, voor mij als
man is het natuurlijk heel moeilijk om mij in haar situatie te verplaatsen,
maar ik denk dat de zusters onder ons, die allemaal zo hun eigen ervaringen met
bloedvloeien hebben, zich misschien wat beter kunnen voorstellen hoe de vrouw
in dit verhaal zich gevoeld moet hebben als zij dat de hele tijd had, elke dag,
twaalf jaar lang! Alle vrouwen die wel eens zulke bloedingen hebben gehad weten
wel hoe slopend en verzwakkend dat is voor het lichaam, maar ook voor de geest.
Langdurig bloedverlies, op welke manier dan ook, is sowieso altijd heel erg
verzwakkend. Die vrouw was er dus heel slecht aan toe. Menstrueren lijkt mij
niet echt leuk met al die krampen in je buik en vooral met die viezigheid, maar
als dat constant maar blijft doorgaan zonder te stoppen en dan 12 jaar lang
lijkt mij erg verschrikkelijk! Die arme vrouw zal na al die jaren bloedverlies
wel heel bleek, mager, moe en zwak geweest zijn. Maar dan hebben we het alleen
nog maar over haar lichamelijk lijden. Daar komt dan nog bij dat zij niet
alleen ernstig ziek was, maar voor de Joodse gemeenschap ook nog een
uitgestotene! Een vrouw die in haar maandelijkse periode verkeerde was volgens
de Tora immers
onrein en we hebben zojuist gelezen dat zelfs het bed of de stoel waar zij op zat
of lag daardoor onrein was. Deze arme vrouw kreeg de klappen dus van twee
kanten: ten eerste omdat deze vreselijke kwaal haar al die jaren zoveel ongemak
bezorgd had, en ten tweede omdat zij hierdoor doorlopend ritueel onrein was.
Die onreinheid betekende dus dat alles en iedereen wat door haar aangeraakt
werd onrein was. Niemand mocht haar aanraken en zij mocht anderen ook niet
aanraken. Haar onreinheid had derhalve niet alleen maar verstrekkende gevolgen
voor haar zelf, maar ook voor al haar familieleden, vrienden en kennissen.
Iemand anders die met haar in aanraking kwam, op een stoel zat waar zij op
gezeten had, op een bed lag waar zij op gelegen had, een beker aanraakte
waaruit zij gedronken had of een bord aanraakte waaruit zij gegeten had, werd
zelf ook onrein. Deze quarantaine lijkt op het eerste gezicht heel wreed en
liefdeloos, maar is wel begrijpelijk in het licht van de onhygiënische
omstandigheden in die tijd als men bedenkt, dat men toen nog geen maandverband
en inlegkruisjes kende en ook nog niemand over een eigen badkamer met douchecel
beschikte. Maar toch! Geen enkele vrouw zou dit wel leuk gevonden hebben, maar
voor deze vrouw was het nog veel erger, want zij was altijd onrein. Niet
slechts een week per maand, maar voortdurend! Twaalf lange jaren buitengesloten
en overal afgewezen. Dit betekende dus voor die bloedvloeiende vrouw, dat zij
al 12 jaar geen liefde heeft mogen ervaren, niet gezoend werd, niet geknuffeld,
en ook geen arm om haar heen had gehad. Niemand had haar aangeraakt, niet eens
een hand geschud. En ook omgekeerd mocht zij haar echtgenoot, kinderen en
kleinkinderen 12 jaar lang niet omhelzen, knuffelen of zoenen. Als ze die
tenminste had. Misschien was ze voorheen wel getrouwd, misschien had ze wel
kinderen, maar ik vrees dat zij zeer waarschijnlijk een gescheiden vrouw moet
zijn geweest, want haar chronische onreinheid was voor een Joodse man uiteraard
voldoende reden om zijn huwelijk te beëindigen. Het zou voor hem immers niet
mogelijk geweest zijn om zijn religieuze verplichtingen na te komen als hij met
een ritueel onreine vrouw in één huis had gewoond. Het lijkt mij daarom haast onmogelijk
dat zij geen gescheiden vrouw was. Tenzij ze nooit getrouwd was, wat natuurlijk
ook best mogelijk was, want haar leeftijd staat er niet bij vermeld. Hoe dan
ook, deze vrouw leefde zonder
lichamelijk contact, onrein, buitengesloten. Twaalf lange jaren alleen. Zij
moest bij iedereen op afstand blijven, ja, zelfs bij Adonai, want als onreine
was zij natuurlijk ook niet welkom in de synagoge! Hoe moet deze vrouw zich wel
niet gevoeld hebben? Hoe vreselijk eenzaam en wanhopig moet deze vrouw geweest
zijn door deze akelige kwaal, die haar zo moe, vies, en afstotelijk maakte. Zou
ze daarom zo stiekem en onopgemerkt in de menigte Yeshua van achteren
beslopen hebben? Ik denk het wel, want zij had geen andere keus. Als je
namelijk bedenkt dat aan haar kwaal naast enorme lichamelijke, psychische en
sociale consequenties ook nog financiële problemen verbonden waren snap je wel
waarom ze dat deed. Ze durfde Yeshua uit schaamte niet openlijk om hulp te vragen, maar wilde
onbekend blijven en verschuilde zich in de massa. Ze had al overal genezing
gezocht, maar niemand kon haar helpen. Zij had alles gedaan wat in haar
vermogen lag om te genezen, maar niets baatte. Al haar geld, haar hele bezit
had zij uitgegeven aan allerlei artsen in de hoop om genezing te vinden, maar
zonder resultaat. Behalve haar akelige ziekte, haar onreinheid en de daaruit
voortvloeiende sociale isolatie en eenzaamheid zat ze nu dus ook nog financieel
helemaal aan de grond. Normaal gesproken zou je denken dat ze door al deze
tegenslagen helemaal gefrustreerd bij de pakken neer zou gaan zitten, maar dat
gebeurde helemaal niet, integendeel! Zij had gehoord dat Yeshua eraan kwam en
besloot onmiddellijk deze unieke kans te pakken, want zij wist wat anderen over
Hem vertelden. Nu zocht zij genezing bij Yeshua, maar uit schaamte over de onreinheid van haar kwaal deed
zij dat in stilte. Schijnbaar durfde ze Hem niet openlijk te benaderen, maar
toch overwon haar geloof uiteindelijk haar vrees, want ze zei tegen zichzelf
dat zij slechts Zijn kleed hoefde aan te raken om genezen te worden. De zieke
vrouw is voor ons allen een voorbeeld van geloof om er ook in de meest hopeloze
situatie zeker van te zijn dat Yeshua uitkomst kan geven. Zij beleed daarmee haar geloof in Yeshua, zette alle schroom
opzij en ging naar Hem toe. En dan deed ze iets wat niet mocht: ze raakte Hem
aan! Daarmee nam zij een groot risico, want wat zou er gebeuren als uitkomt dat
ze daarmee de Tora had overtreden? Zoiets was volstrekt onaanvaardbaar in de
Joodse samenleving, want daarmee maakte zij Yeshua immers zelf ook onrein. Maar zij raakte Zijn kleed niet
zomaar op een willekeurige plek aan, maar juist bij de kwasten! Waarom deed ze
dat? En wat zijn de kwasten eigenlijk precies? Wel, de Hebreeuwse naam
is tyjyj Tzitzit en in het Nederlands worden zij "gedenkkwasten" of ook
"schouwdraden" (draden om naar te kijken) genoemd. Zij bevonden zich
aan de vier hoeken van Zijn bovenkleed. In Israel was het namelijk vroeger de
gewoonte om een bovenkleed te dragen, dgb Beged
genaamd, dat van een vierkante doek was gemaakt. Het gebod om de Tzitzit zichtbaar aan de vier hoeken te dragen vinden
wij in rbdmb Bamidbar [Numeri] 15:37-41 en ,yrbd D'varim [Deuteronomium] 22:11-12. In beide teksten
is het Hebreeuwse woord voor “hoek” of “rand”, waar de Tzitzit
aan vast zitten, [nk Kanaf, dat ook vertaald kan
worden met “vleugel”. Het komt 76 keer voor in de Bijbel en als wij rekening
houden met de dubbele betekenis van dat woord, dan krijgen talrijke teksten
voor ons een veel diepere betekenis dan wij tot nu toe gewend waren doordat ze
vaak niet op de juiste wijze vertaald blijken te zijn. Wat denkt u: heeft G’d
vleugelen of niet? Heeft Zijn Zoon Yeshua
vleugelen of niet? Uit sommige teksten lijkt men dit wel op te kunnen maken.
Neem bijvoorbeeld tvr Rut [Ruth] 2:12, waarin wij
lezen: “De Eeuwige vergelde u uw daad, en uw loon valle u onverkort ten deel
van de Eeuwige, de G’d van Israël, onder Wiens
vleugelen (vypnk K’nafaiv) gij zijt komen schuilen.” Of wat denkt u van
deze tekst: “Bewaar mij als de appel van het oog, berg
mij in de schaduw van Uw vleugelen (!ypnk
K’nafeicha) voor de g’ddelozen die mij overweldigen, voor mijn
doodsvijanden die mij omsingelen.” (,ylht Tehilim
[Psalmen] 17:8-9). Ook staat er geschreven: “Hoe kostelijk is Uw
goedertierenheid, o G’d; daarom schuilen de
mensenkinderen in de schaduw Uwer vleugelen (!ypnk K’nafeicha)…” (,ylht Tehilim [Psalmen] 36:8). Iets verderop lezen
wij: “Wees mij genadig, o G’d, wees mij genadig, want bij U schuilt mijn
ziel; ja, in de schaduw van Uw vleugelen (!ypnk K’nafeicha) zal ik
schuilen, totdat het onheil voorbij is.” (,ylht
Tehilim [Psalmen] 57:2) en: “Laat mij in Uw tent voor altoos
vertoeven, laat mij schuilen, geborgen onder Uw
vleugelen (!ypnk K’nafeicha)…”
(,ylht
Tehilim [Psalmen]
61:5). En weer in een andere psalm staat geschreven: “Want Gij zijt
mij een hulp geweest, in de schaduw van uw vleugelen
(!ypnk K’nafeicha) jubel ik!”
(,ylht Tehilim [Psalmen] 63:8) en tenslotte verwijst ook ,ylht Tehilim [Psalmen] 91:4 naar de veilige schuilplaats
onder de vleugelen van de Eeuwige: “Met Zijn vlerken beschermt Hij u, en onder Zijn vleugelen (vypnk
K’nafaiv) vindt gij een toevlucht.”
Ik herhaal dus mijn vraag: gelooft u nu echt dat G’d vleugelen heeft of zou het
woord [nk Kanaf misschien toch
eerder in verband gebracht moeten worden met de Tzitzit aan het kleed van Yeshua? Ik denk het laatste! Yeshua
was immers niet alleen een Tzadiq [rechtvaardige] en Chasid [vrome Jood], die
zich nauwgezet hield aan de Mitz’vot [geboden] van de Tora, maar Hij was en is veel meer dan dat, namelijk de
langverwachte Mashiach, en volgens de overlevering der ouden zouden de vleugels van de beloofde Mashiach namelijk genezende
krachten bezitten, hetgeen haar oorsprong vindt in de profetie van ykalm Mal’achi [Maleachi] 3:20
(NBG-vertaling 4:2) waar over de Mashiach wordt gezegd: “Maar voor u, die Mijn Naam
vreest, zal de Zon der Gerechtigheid opgaan, en er
zal genezing zijn onder haar vleugelen (hypnkb
biCh’nafeiha)…“ Hetzelfde woord [nk Kanaf
dat in Numeri 15:38 voor “hoek” wordt gebruikt, staat in Maleachi 3:20 voor
“vleugel” en met deze kennis in het achterhoofd kan men van een Jood, die een Talit [gebedsmantel]
draagt, terecht zeggen dat hij verblijft in de schuilplaats van de Allerhoogste
en onder Zijn vleugelen (,ylht Tehilim [Psalmen]
91:1-4). Ongetwijfeld was dus ook de bloedvloeiende
vrouw bekend met deze overlevering, hetgeen verklaart waarom zij doelbewust de Tzitzit aan de hoeken
(vleugels) van Zijn dgb Beged [kleed] wilde aanraken. Maar zij was niet de enige die
daar zo over dacht. In Marcus 6:56 lezen wij: “En waar Hij ook kwam in
dorpen of steden of gehuchten, daar legden zij de zieken op de markten en
smeekten Hem, dat zij slechts de kwast van Zijn kleed [vdgb [nk K’naf Big’do] mochten aanraken. En allen, die Hem aanraakten, werden
gezond.” Ook in vhyttm Matityahu [Mattheüs] 14:36 staat hetzelfde: “En
zodra de mannen van die plaats Hem herkend hadden, zonden zij bericht in die
gehele omgeving, en men bracht tot Hem allen, die ernstig ongesteld waren, en
zij smeekten Hem, dat zij alleen maar de kwast van Zijn kleed [vdgb [nk K’naf Big’do]
mochten aanraken. En allen, die Hem aanraakten, werden behouden.” Zowel de
bloedvloeiende vrouw alsook al de andere hierboven genoemde zieken die de Tzitzit van Yeshua
aanraakten gaven daarmee uiting van hun geloof in de Mashiach
als de Zon der Gerechtigheid met genezing onder haar vleugelen en aan hun
geloof in het profetische Woord van G’d, maar lieten daarmee ook zien dat zij
zich vasthielden aan de houvast die de Eeuwige ons geeft door Zijn Tora, waar de Tzitzit
immers naar verwijzen! Deze vrouw bracht dit
onmiddellijk in praktijk en voegde de daad bij het woord, want terwijl ze tot
zichzelf sprak dat ze door het aanraken van Zijn Tzitzit genezen zou worden, deed ze dat
ook echt. Zoals ik reeds zei nam ze daarmee wel een groot risico. De Tzititzit vormden immers
het heiligste deel van de kleding van Yeshua. De Joodse wet verbood volstrekt aan een onreine om een
reine aan te raken, omdat daardoor de onreinheid van de onreine op de reine zou
worden overgedragen. De bloedvloeiende vrouw deed dus iets wat absoluut niet
mocht! Ten eerste begaf zij zich op een plek waar zij niet mocht komen vanwege
haar onreinheid, want in de menigte zijn aanrakingen gewoon onvermijdbaar, maar
dat zij daar kwam, was wel de eerste stap naar haar genezing. Ten tweede raakte
ze Hem aan terwijl deze vrouw zich zeer bewust was van haar onreinheid.
Natuurlijk deed zij dat heel stiekem omdat daar in het gedrang om Yeshua heen toch niemand iets
van zou merken. Dacht ze! Maar Yeshua had het wel degelijk gemerkt. Toch had Yeshua dit niet afgekeurd
en haar daar ook niet op aangesproken, wat je op grond van al die strenge reinigingswetten
eigenlijk wel verwacht zou hebben. Integendeel, wat zij deed moet juist een
voorbeeld zijn voor ons, want ook voor ons is het heel belangrijk om ons bewust
te zijn van onze onreinheid, en we kunnen ons wel reinigen door middel van
allerlei hygiënische maatregelen en het strikt naleven van de reinigingswetten,
maar evenals de bloedvloeiende vrouw moeten ook wij tot het besef komen, dat
echte en volledige reiniging slechts mogelijk is door Yeshua. Hij is met niets en
niemand te vergelijken! Volgens de reinigingswetten en de Talmud-afdeling hrhu Tahara wordt de reine verontreinigt
door de onreine, maar bij Yeshua zien we juist het tegenovergestelde gebeuren: terwijl de
bloedvloeiende vrouw Zijn kwasten beetgepakt had en Yeshua zelfs doden had
aangeraakt, hetgeen volgens de Tora nadrukkelijk verboden was, bleef de reinheid van Yeshua en van zijn Tzitzit onaangetast en werd
de vrouw door deze aanraking genezen en de doden opgewekt, waarmee in beide
gevallen ook de oorzaak van hun onreinheid werd weggenomen! Weet u, als wij met
al onze zonden, onreinheden en ziekten tot Yeshua naderen, Hem als het ware aanraken en Hem om vergeving,
reiniging en genezing vragen, dan dragen wij al deze zonden, onreinheden en
ziekten niet op Yeshua over en maken wij Hem daarmee niet onrein, maar Hij maakt
ons rein en Hij schenkt ons vergeving en genezing, want er staat geschreven: “Hij
werd veracht, door mensen gemeden, Hij was een man die het lijden kende en met
ziekte vertrouwd was, een man die Zijn gelaat voor ons verborg, veracht, door
ons verguisd en geminacht. Maar Hij was het die onze ziekten droeg, die ons
lijden op Zich nam. Wij echter zagen Hem als een verstoteling, door G’d
geslagen en vernederd. Om onze zonden werd Hij doorboord, om onze wandaden
gebroken. Voor ons welzijn werd Hij getuchtigd, Zijn striemen brachten ons
genezing!” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 53:3-5 in de NBV). De bloedvloeiende vrouw had een
vermogen betaald aan artsen die haar niet konden helpen, maar de genezing die
zij van Yeshua ontving, koste haar niets. En
toch was het niet gratis, want in de bovenstaande tekst lazen we zojuist, dat Yeshua daar een hoge prijs voor moest betalen. Laten
we dat nooit vergeten als wij weer een beroep op Hem
moeten doen. Zoals gezegd wilde de vrouw eigenlijk graag anoniem blijven, en in
principe had dat ook best wel gekund, want het was hartstikke druk, de mensen drongen
zich om Hem heen en iedereen botste tegen Hem aan. Niemand had iets gemerkt,
maar Yeshua
merkte terdege dat er kracht van Hem was uitgegaan. De vrouw had makkelijk in
de menigte kunnen verdwijnen, want genezen was zij meteen al, maar Yeshua wilde niet dat ze
anoniem bleef omdat zij ook nog van haar schaamte moest worden bevrijd. Daarom
vroeg Hij hardop: “Wie heeft Mijn klederen aangeraakt?” Natuurlijk
ontkende iedereen de aanraking, maar Keifa [Petrus] probeerde Hem gerust te stellen door te zeggen: “Rabbi, al die mensen staan
te duwen en te dringen om U heen.” Maar Yeshua bleef daarin
volharden en zei: “Iemand heeft Mij aangeraakt, want er ging kracht van Mij
uit!” Die arme vrouw kon wel door de grond zakken van schaamte en angst
toen ze merkte dat Yeshua haar door had. Van iemand anders zou men deze reactie
waarschijnlijk tactloos vinden en men zou zich kunnen afvragen of hij dan geen
oog voor haar schaamtegevoel had, maar van Yeshua kan dit beslist niet gezegd worden, want natuurlijk had
Hij daar oog voor. Yeshua versterkte haar genezing hiermee juist door haar te
bevestigen in haar eigen handelen, want zij had immers zelf het initiatief
genomen en haar geloof heeft haar behouden! Door te vragen wie Hem had
aangeraakt, dwong Hij deze vrouw om er openlijk voor uit te komen, en dat deed
zij. De vrouw kwam bevend naar voren en wierp zich voor Hem neer. Maar Yeshua richtte haar op en
zei tegen haar: “Mijn dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede
en wees genezen van uw kwaal!” Daarmee had Yeshua haar niet alleen genezen, maar Hij gaf haar tevens een
nieuwe manier van leven. Yeshua vond het nodig om duidelijk te maken dat zij niets
verkeerds had gedaan, integendeel! Zij hoefde zich niet te schamen dat zij haar
hulp zocht bij Hem. Door Yeshua aan te raken werd zij weliswaar door Hem genezen,
gereinigd en in ere hersteld, maar daarmee had zij in feite ook zichzelf gered,
want haar geloof heeft haar behouden.
Samenvatting
van de reinigingsvoorschriften
“Wijs
de Israëlieten erop dat ze zich bewust moeten zijn van hun onreinheid, anders
sterven ze wanneer ze in hun onreinheid mijn tabernakel, die in hun midden
staat, verontreinigen. Tot zover de voorschriften omtrent mensen die vloeien
uit hun geslachtsorganen: mannen die onrein zijn geworden door een zaadlozing,
vrouwen die menstrueren, mannen die onrein vocht verliezen, vrouwen die aan
bloedingen lijden, en mannen die gemeenschap hebben gehad met een vrouw die
onrein was.” (arqyv Vayiq’ra [Leviticus]
15:31-33).
Moeten wij ons nu nog precies aan de reinigingswetten houden zoals deze in de Tora letterlijk omschreven staan? Voor een deel wel, voor een deel niet. Sommige voorschriften waren toen met name gericht op de tempeldienst: die mocht niet verontreinigd worden door wie of wat dan ook. Andere voorschriften daarentegen vinden hun basis in de onhygiënische toestanden van die tijd en waren bedoeld om besmetting te voorkomen. Dankzij de hedendaagse hygiëne en sanitaire voorzieningen is het voor ons tegenwoordig gelukkig een stuk makkelijker dan voor onze voorouders om onze lichamelijke reinheid zodanig op peil te houden dat daardoor sommige onderdelen van de reinigingswetten grotendeels overbodig zijn omdat er in principe geen besmettingsgevaar meer bestaat. Maar dan praat ik uiteraard slechts over nette, keurige mensen en niet over asociale smeerpoetsen, want ook die zullen er helaas altijd wel zijn. Toch daar gaan we natuurlijk niet van uit. Als gelovigen dienen wij een rein leven te leiden, en dat geldt zowel voor ons lichaam alsook voor ons geestelijk leven. Daarom wil ik deze studie afsluiten met de tekst, die ik reeds bij de inleiding citeerde: “Wees als gehoorzame kinderen en geef niet opnieuw toe aan de begeerten waardoor u vroeger, toen u nog onwetend was, werd beheerst, maar leid een leven dat in alle opzichten heilig is, zoals Hij die u geroepen heeft heilig is. Er staat immers geschreven: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig!” (1 Petrus 1:14-16).
Werner Stauder